Afscheid van Tasmanië.

Zondag 19 januari 2020

Twee weken gaan heel erg snel als je het naar je zin hebt. En dat hadden we, hier in Tasmanië. Eigenlijk liep alles van een leien dakje. We konden onze plannen bijna allemaal uitvoeren en raakten best gewend aan het koudere weer. Gelukkig hadden we warme kleren meegenomen.

Donderdagmorgen waren we nog in Stanley, maar voordat we vertrokken wilden we toch die dikke bult op, wat waarschijnlijk een kraterpijp is geweest, heel veel duizenden jaren geleden.

De zon scheen en er stond nog best wat wind. Er was een stoeltjes lift naar boven en waarom zou je het moeilijk doen als het ook makkelijk kan! Bovenop The Nut was een wandeling van een uur uitgezet, zodat je 360 graden om je heen kon kijken. Wat een prachtige uitzichten hadden we. En wat kon je goed zien dat Stanley op een klein schiereilandje ligt.

Na nog een kopje koffie beneden in het cafe, gingen we op weg naar de volgende bestemming. Dat was Waratah, een oud tinmijn dorpje aan een waterval. Het bleek op 600 meter te liggen, dus het was een stuk kouder daar dan op zeeniveau, waar we vandaan kwamen. Ook de wind kon daar lekker zijn gang gaan omdat we redelijk hoog zaten. We vonden een plekje op de lokale camping en gingen maar snel naar de pub om een beetje warm te zitten.

  Het bleek dat je daar ook kon eten, dus we bespraken al snel een tafeltje voor 6 uur. Voor die tijd deden we een rondje door het dorp. Erg simpel allemaal, maar toch heel leuk om te zien.

 

Er was een museum, dat een mevrouw zo’n 60 jaar geleden had opgezet in haar eigen huis. Heel bijzonder. Er zat niet echt structuur in de uitstalling, maar wat geeft het. Jakob vond een klein kistorgeltje en kon het niet laten er even aan te zitten.

Het eten in de pub was oke! Veel en niet duur en om 8 uur lagen wij al onder de dekbedden in een frisse auto. De nacht duurde best lang, ook omdat de auto niet echt vlak stond en dan rol je steeds een verkeerde kant uit. ’s Morgens besloten we hier niet te blijven, maar een andere camping op te zoeken nadat we naar de Cradle Mountains geweest waren. Maar eerst reden we naar het National Park.

Daar waren ze net met een nieuw systeem begonnen. Er was een enorme parkeerplaats en vandaar kon je met busjes naar de plek waar je een wandeling wilde maken. Wij hadden uitgezocht om een rondje om Lake Dove te wandelen. Dat was vanaf de parkeerplaats nog 20 minuten met het busje. We waren niet de enigen, maar na een paar dagen slecht weer was het nu heel blauw, zonnig en niet zo koud meer. Dus dit was een mooie gelegenheid voor een wandeling.

 

   

Bij het begin van het pad aangekomen waren we echt even stil. Wat een schoonheid van de natuur. De wandeling was gemiddeld van zwaarte en er zaten een paar pittige klimstukken in, maar dat ging best goed. En na een kleine 3 uur waren we rond. Wat was het genieten. Met een beetje zere voeten stapten we weer in de bus, die ons naar de auto bracht.

En toen moesten we op zoek naar een betere camping. De App had aangegeven dat er op 40 km afstand een plek was, die Gowrie Park Wilderness Village heette.

  Daar aangekomen bleek dat het daar helemaal prima was. Mooie vlakke plekken, prachtige douches, een hele aardig beheerster, goeie keuken en een wasmachine en droger.

 

 

 

 

 

En ze verkochten lekker lokaal bier. Naast het park was een restaurant. Omdat we geen winkel waren tegengekomen, was het toch wel makkelijk om daar te gaan eten. En dat allemaal midden in het berggebied.

De steak die we aten was de beste sinds jaren en werd geserveerd met verse groenten en aardappelen. Heel gezond dus ook nog. Het koelde wel weer snel af buiten en na geslapen te hebben, bleek het ’s morgens 6 graden te zijn. Echt een zomers temperatuurtje….

Na het ontbijt kon ik de was van de afgelopen weken doen, zodat die schoon mee kon naar de boot. Heel handig.

Op weg naar Devenport, vanwaar de ferry naar Melbourne vertrekt, stopten we in Deloraine, een verrassend stadje aan de rand van de Cradle Mountains. Er was een Folk Museum, wat er interessant uit zag en dat was het ook.

Behalve een mooi opgezette collectie oude voorwerpen, was er ook een tentoonstelling van 4 grote quilts, als je ze zo kan noemen. Het waren voorstellingen van het dorp, uitgevoerd als wandkleden, die borduurwerk, naaiwerk en patchwork hadden van allerlei materialen. Er was door een groep mensen 3 jaar aan gewerkt en het was geweldig. Wat een saamhorigheid moet dat geweest zijn. Het hele museum straalde een hechte gemeenschap uit.

Het was ook leerzaam, vanwege de verhalen over convicts, maar ook stropers, die op Wombats joegen, omdat je van de huiden prachtige jassen kon maken.

 

Tja en toen moesten we toch echt naar Devonport om de auto in te gaan leveren. Het is toch een beetje of je je huis weggeeft, maar aan alle dingen komt een einde. De ferry gaat morgen om half 9, dus we hadden een B&B geregeld voor de nacht. Wat een grappige plek was dat. En vlak bij de kade waar de ferry komt.

 

Na de overtocht die 10 uur duurt, slapen we nog een nachtje in Melbourne en vliegen dan terug naar Sydney. Daar staat een shuttle klaar die ons naar onze Jonas brengt. Een beetje gecompliceerde reis, maar het leek ons leuk op deze manier. Dan hebben we toch Sydney-Hobart over zee gedaan!

Woensdag vliegen we naar Nederland voor een kleine 3 weken. Dat zou je een visa run kunnen noemen, want we mogen maar 3 maanden achter elkaar hier in Australië blijven met ons visum.

Het wordt dus weer even stil op het blog, want onze avonturen in Nederland zijn vast niet zo spectaculair en die houden we liever voor ons zelf. Half februari zijn we weer terug in Pittwater en vervolgen dan onze reis.

Verwaaid in Stanley, noordwest Tasmanië

Donderdag 16 januari 2020              f

Niet te geloven he? Verwaaid in Tasmanie! Het weer hier is net zo wisselvallig als in Nederland, maar gelukkig wel een stukje warmer. Als wij het koud hebben is het hier 17 graden….

Nadat we dinsdag de auto weer hadden ingepakt gingen we op weg via Launceton naar Stanley aan de noordkust. Maar onderweg hadden we nog wat dingen op ons lijstje staan. We reden eerst naar het wijngebied langs de rivier de Tamar. De meeste wijn Estates gingen open om 10 uur, dus we maakten geen haast. Rond half elf kwamen we bij ons eerste doel. Het blijft toch een geweldig gezicht, die mooie frisgroene wijngaarden.

   

We stopten bij Tasman Ridge. Er was natuurlijk nog niemand, maar dat maakte niet uit. We maakten een praatje met een heel leuk meisje en deden onze eerste wijnproeverij (om half 11 ’s morgens!). Ik nam hele kleine slokjes, want ik moest nog rijden. We proefden er 3 en kochten een fles Pinot Noir, die we erg lekker vonden.

  

Een stukje verderop stopten we bij de tweede wijngaard van onze keuze, Moores Hill. Daar begonnen we maar eerst met koffie drinken en genieten van het prachtige uitzicht. We proefden een hele lekkere Sparkling Riesling. Wel feestelijk hoor, zo vroeg op de dag. Daarna nog een Pinot Gris en een Merlot-Cabernet. Uiteindelijk gingen we met de bubbels terug naar de auto.

Het was intussen half 12 en we vervolgden onze weg naar Stanley. Het weer was goed en de wegen prachtig. Wat is de natuur toch mooi hier. Bij een uitzichtpunt onderweg, waar meestal picknick tafels staan, stopten we voor lunch. Er stond al best meer wind dan ’s morgens.

Rond 3 uur kwamen we in Stanley. Dat is zo’n bijzondere plek. Het ligt op een schiereiland in het noorden van Tasmanië en wordt gedomineerd door een hele grote rots, The Nut, wat een overblijfsel is van een vulkaan.

 

We vonden de camping al snel en er was nog een piepklein plekje voor ons. We stonden naast twee kleine tentjes van motor rijders. Ongelofelijk wat die allemaal in die zijtassen kunnen vervoeren.

 

Het werd tijd om de benen te strekken, dus we verkenden het dorpje en de omgeving er omheen. Er waren prachtige koloniale huizen en mooie vissersbootjes met kreeftenkorven.

Jakob had een poster gezien, waarop een concert in het kader van “Festivals for Small Halls” werd aangekondigd voor die avond. Daar hadden we wel zin in. En het was geweldig.

In de Town Hall kwamen de lokale mensen met een paar toeristen bij elkaar voor het 2-wekelijkse evenement. Zo lekker dorps.

Maar de artiesten waren heel erg goed, hadden prijzen gewonnen en toerden door Australië.

De Schotse groep was het beste; we kregen er geen genoeg van. En gelukkig hadden ze na hun programma nog 2 toegiften.

Terug naar de camping stond er al veel wind en dat nam tijdens de nacht nog eens flink toe. De luifel aan de auto klapperde van jewelste. En ’s morgens stond er echt een dikke 7Bft, als het niet meer was. We rolden de luifel in en namen onze intrek in de kampkeuken. Daar was het warm en gezellig.

Jakob vond een legpuzzel en ik las mijn boek en maakte een verhaaltje voor een tijdschrift op mijn laptop. In het begin van de middag begon het ook nog te regenen. Echt verwaaid dus. Dat kan ook met een camper…. Jammer, want er was nog van alles te zien hier. Rond 3 uur knapte het weer op en we stapten in de auto om een rondje te rijden langs Highfield, een Historical Site.

De uitzichten hier zijn geweldig en je voelt je echt aan het randje van de wereld (nou ja, Tasmanië). Het Historische huis was heel erg de moeite waard. Er viel veel te lezen over de tijd vanaf de Aboriginals en later over de Settlers en het opzetten van landbouw en veeteelt hier.

 

  

Tenslotte maakten we nog een toeristisch plaatje, waarvoor ze speciaal een opzet hadden gemaakt om je eigen schilderij te fotograferen. Grappig!

Toen we eergisteren aankwamen op de camping, had de mevrouw van de receptie gezegd dat je elke avond naar een plek kon gaan om de pinguïns aan land te zien komen. Er zou een platform zijn en iemand die er wat over vertelde. GRATIS!!

Dus nadat we gegeten hadden in het Stanley Hotel was het 9 uur en liepen we naar de Pinguïn plek. Het was er een drukte van belang. Een speciaal platform met info borden over de blauwe pinguïn bracht je naar de plek waar ze aan land kwamen. En rond 10 uur, toen het echt donker was, kwamen ze aarzelend aan land en waggelden naar hun nesten. Zo leuk om dat nog een keer te zien.

Vanmorgen was het weer opgeknapt. Nog wel fris, maar minder wind en een beetje zon. We kunnen nu dus de Nut op, voordat we verder trekken naar onze laatste camping in de buurt van de Cradle Mountains.

Van de oostkust van Tasmanië naar het noorden

Maandag 13 januari 2020

Het leven met onze kampeerauto bevalt goed. We zijn helemaal gewend aan het bivakkeren op een camping, het opmaken van ons bed en aan alle mensen om ons heen. Als je met je boot in een haven ligt, zijn er boten om je heen, maar je hebt nog steeds privacy. Op een camping is dat niet en er wordt vrijelijk bij iedereen binnen gekeken en je hebt je plekje heel dicht bij een ander.

Maar ook dat went en het heerlijke, vinden we is, dat je altijd je huis bij je hebt. Net als op de boot. Onderweg kan je stoppen waar je wilt om koffie te maken of een boterham te smeren. Alles heb je bij je.

 

We hebben vandaag het laatste stukje van de oostkust van Tasmanië gezien. Wat is dat prachtig. Nadat we vrijdag Maria Island hadden bezocht en lekker hadden gegeten bij de golfclub, vertrokken we de volgende morgen naar Bicheno. Eigenlijk stond deze plaats niet op ons lijstje, maar omdat we wat dingen wilden combineren, kwamen we daar uit en boekten voor 2 nachten. Een piepklein plekje, net groot genoeg voor de auto en onze stoeltjes, maar het was er gezellig en relaxed.

Nadat we ons hadden geïnstalleerd, wilden we nog naar Freychinet National Park rijden, maar we besloten de auto gewoon te laten staan. In plaats daarvan maakten we een wandeling langs de kust over de rotsen en dat bleek echt heel erg mooi te zijn. Lekker een beetje klauteren en prachtig zicht op zee.

 

Jakob zijn I-watch piepte van genoegen omdat hij alweer heel veel kms had gelopen.

Al eerder hadden we boodschappen gedaan en er zou een curry gemaakt worden. Nu bleek dat er alleen een elektrisch pitje stond in de kampkeuken, dus dat was wel even improviseren. De kampkeuken diende ook als recreatie ruimte en de TV stond lekker hard te tetteren. Nou, daar kan ik dus niet echt tegen. In plaats van in de keuken ons brouwsel op te eten, nam ik onze pannetjes toch maar mee naar de auto, waar we het in alle rust konden opeten. Het smaakte OK, maar we hebben wel eens lekkerder gegeten. Op het avondprogramma stond een bezoek aan de pinguïn kolonie.

Er zijn op Tasmanië heel veel gezonde blauwe pinguïns, dezelfde soort, welke we in Nieuw Zeeland in een opvangoord zagen 2 jaar geleden. Maar deze penguins hier op Tasmanië waren niet ziek of zielig.

We waren met een bus naar de kust bij Diamond Island gebracht. Het was intussen 10 uur ’s avonds, want de penguins komen, na een dag vissen op zee, pas in het donker naar de wal. En wat waren het er veel. Met dik gevulde buikjes waggelden ze naar hun nesten. Soms krijsten hun kinderen al om eten voordat ze goed en wel bij het nest waren. Het was een hele leuke tour, die zijn geld dubbel en dwars waard was. Je mocht geen foto’s maken vanwege het flitslicht, maar op verzoek kreeg je een hele serie foto’s gratis toegestuurd. Echt goed geregeld.

Het kerkje van Bicheno was erg leuk en oud en werd gebruikt door alle geloven. heel efficiënt! Het was ooit gekocht voor 150 dollar omdat er toch echt een kerk moest komen. Maar vanwege onze plannen voor zondag gingen we er toch maar niet naar toe.

Al vroeg gingen we richting Freychinet National Park. We hadden geen vast plan wat we er wilden zien, maar lieten ons verrassen. De ene mooie baai na de andere kwam te voorschijn. We stopten eerst in Coles Bay, wat niet meer bleek te zijn dan een straat met een winkel en een eetgelegenheid en reden vrij snel weer verder.

 

Het werd steeds drukker op de parkeerplaatsen in het park en daardoor misten we de Wineglass Bay, maar kwamen terecht bij de Honeymoon Bay. Wat een mooie naam voor een geweldige baai met prachtige vergezichten.

 

 

We haalden onze stoeltjes en de koelbox en genoten van onze lunch op dat prachtige plekje. Vervolgens liepen we naar de Vuurtoren. Die mag een zeiler toch nooit missen. Het was een beetje een saaie toren, maar zoals gezegd, je moet er geweest zijn.

Voldaan over deze mooie dag keerden we terug naar onze campingplek. Maar we hadden nog een plan voor het avondeten. Tassie Lobster bij de Lobster Shack met daarbij Tassie bubbels. Die Lobster Shack is eigenlijk een soort cafetaria, waar je je bestelling opgeeft bij de balie en het kan ophalen als het nummertje dat je hebt meegekregen begint te piepen.

  

Dus niks geen gedekte tafels met witte servetten en knipbuigende obers. Maar gewoon simpel en efficient; de Lobster smaakte er niet minder om. Wat was dat lekker! En wat bijzonder om daar Tassie bubbels bij te drinken. een beetje wiebelig liepen we terug naar onze kampeerauto en het duurde niet lang voor we in bed lagen.

  Vandaag moesten we best een stuk rijden om de rest van ons programma deze week te kunnen uitvoeren. De tijd vliegt. Al vroeg reden we weg uit Bicheno om naar de Bay of Fires te gaan. Wij hadden begrepen dat de naam te maken had met de rode rotsen, maar het blijkt dat de Franse ontdekkingsreiziger langs de stranden de vuren van de Aboriginals zag en daarom kreeg deze baai de naam Bay of Fires.

 

We maakten een flinke strandwandeling tot aan The Gardens, het noordelijkste stukje van de baai. De zee was zooo mooi blauw en groen en het zand was zo mooi van kleur. Heerlijk. Na de wandeling zetten we onze stoeltjes zodanig op het duin dat we de zee konden zien en aten onze boterhammen.

En toen moest er afscheid genomen worden van de oostkust en reden we landinwaarts richting Launceton. Het landschap was schitterend. De wegen zijn smal en bochtig, maar toch best goed te doen. Er was niet veel verkeer, dus we konden redelijk opschieten. In een oud stadje, Derby, stopten we om een ijsje te eten. Het bleek het walhalla voor mountain bikers.

  

Er zijn heel veel routes vanuit daar en er hing een echte sportieve sfeer. We kwamen nog iemand van de camping in Bicheno tegen, die ons herkende aan de auto en onze grijze haren…..

 

Rond 5 uur kwamen we aan bij onze camping Myrtle Park aan de St. Patricks rivier                       , zo’n 30 km voor Launceton. Wat een mooie plek. Heel ruim en groen en bijna geen caravans. Er is verder ook niet veel en we betaalden maar 15 AUD voor een overnachting.

Nu zitten we even lekker voor onze auto onder de luifel en gluren naar andere mensen (dat hoort zo…).

We gaan straks wat vlees op de gas BBQ in de kampkeuken leggen en met wat sla kunnen we daar weer goed op teren.

 

Oh, wat is het leuk hier!

Vrijdag 10 januari 2020

We werden woensdagmorgen wakker en hadden eigenlijk heel goed geslapen. Dat viel mee! De auto is toch niet zo smal als we dachten en de matras is best goed. De voorzieningen op de camping waren ook prima en fris gedoucht en met het ontbijt achter de kiezen gingen we naar Richmond, een prachtig stadje in een hele mooie omgeving.

 

 

Het is het oudste stadje van Tasmanië met veel oude huisjes en de oudste gevangenis. Die heet hier Goal in plaats van Jail. Het is de oudste Goal in Australië.  

We hebben nooit zo stil gestaan bij het feit dat vanuit Engeland alle Convicts naar Australië en dus ook naar Tasmanië gestuurd werden. Het vergrijp van de veroordeelde was soms niet meer dan het stelen van een portemonnee, maar de straffen waren heftig. Het idee was, dat door hard werken en veel bijbel lezen, de mensen weer braaf zouden worden. Maar het waren natuurlijk hele goedkope arbeidskrachten, die eigenlijk als slaven werden behandeld.

Wat wel leuk was, was dat je kon zien wat ze eigenlijk te eten zouden moeten krijgen. Alleen stal de gouverneur een groot deel van het eten en bracht het naar zijn eigen voorraadkamer. De gebouwen van de Goal waren heel erg mooi gerestaureerd en brengen waarschijnlijk nog steeds geld op via de bezoekers.

Na dit mooie begin van de dag reden we door prachtige natuur naar het Tasman Schiereiland. We kwamen langs de Unzoo, een alternatieve plek voor dieren, waar de Tasman Devil te zien was. Dus wij daar naar binnen. Wat een afschuwelijk beest is dat. Maar ja, hij doet wel goeie dingen, hij eet alle doodgereden dieren van de weg op….

Op het Tasman Schiereiland is de historische plek Port Arthur, waar weer veel van de geschiedenis van de Convicts te zien was. Op weg daar naar toe stopten we op een mooi plekje om te lunchen, zoals echte kampeerders doen. Vervolgens stopten we bij Eaglehawk Neck, waar we een natuurverschijnsel konden zien.

De rotsen waren in vierkanten gesplitst door de invloed van zout en water. Volgens Jakob is dit onzin, maar zo stond het op het bord.

We zochten een camping in de buurt van Port Arthur, maar die bleek vol. Ik belde nog een paar campings en die waren ook vol. O je, wat nu? Ik ging naar de receptie om te vragen of zij nog iets wisten en jawel, we hadden geluk.

Voor zo’n klein ding als die campervan van ons, was nog een plekje. Wat een geluk. Anders hadden we echt weer heel ver moeten rijden om iets te vinden. Het is hoogseizoen nu en dan loop je de kans op volle campings. We sliepen weer heel lekker in onze auto.

Donderdagmorgen vroeg vertrokken we naar Port Arthur, op 10 minuten afstand van onze camping. We waren een van de eerste bezoekers dus het was nog lekker rustig.

Wat een prachtige plek voort deze gevangenis! Mooie glooiende heuvels, prachtige bomen, een ruime baai en veel over het terrein verspreide oude gebouwen.

 

We begonnen met een boottochtje door de buiten haven. Prachtig tussen de heuvels in. En natuurlijk heerlijk voor ons zeerotten!

Het weer was prachtig en het werd zelfs heel heet in de zon. Na de boottocht kregen we een introductie rondleiding, waarin ons werd verteld over de historie en waar welk gebouw was.

De verhalen over de Convicts waren echt heel bijzonder. En de gebouwen waren heel erg mooi gerestaureerd en hadden allemaal een verhaal. We hadden daar wel de hele dag kunnen blijven, maar we moesten weer verder naar Triabunna, waar de ferry naar Maria Island vandaan vertrok.

Het was ongeveer 120 km daar naartoe, dus een mooi stukje rijden. We hadden onderweg eten voor de bbq gekocht, dus dat moest wel in orde komen. We vonden een camping in Orford, een stukje voor Triabunna met een heel aardige campingbaas en weer een leuk strand aan de andere kant van de weg.

 

We kunnen ons intussen heel snel installeren en gingen alras naar de bbq. Die was al warm gemaakt door een voorganger, dus dat was handig. We aten shaslicks, worstjes, aardappels op de gril en boontjes. Wat een heerlijk maal. Tegen dat het half 9 is zijn we al best aan ons bed toe, dus we liggen er wel bijna elke dag op tijd in en lezen dan nog wat tot onze ogen dichtvallen.

Vanmorgen was het ineens koud, terwijl dat niet voorspeld was. We namen gelukkig voor de zekerheid onze jassen mee en die bleken we hard nodig te hebben. Er stond 30 knopen wind, dus de ferry ging aardig hobbelig door het water.

 

 

Op Maria Island aangekomen konden we kiezen uit een aantal wandelingen en natuurlijk bekeken we weer de oude gebouwen waar de Convicts hadden geleefd. Heel leerzaam allemaal.

De eerste wandeling ging dwars door het bos naar een plek waar water werd opgevangen. Niet zo indrukwekkend, maar het was wel lekker om anderhalf uur stevig door te stappen. Na een boterhammetje op een bankje, begonnen we aan onze 2de wandeltocht, naar de “Painted Cliffs”. Dat zijn rotsformaties waar door weer en wind prachtige kleuren en vormen zijn ontstaan.

 

We kwamen weer langs allerlei leuke gebouwtjes, die het bekijken waard waren. En toen… was ik ineens mijn iPhone kwijt. Wat een schrik. We hadden op een bankje gezeten en daar had ik hem waarschijnlijk laten liggen. Dus met ferme pas terug naar die plek. Nou, er lag niks, maar misschien had iemand anders hem meegenomen. Wel een raar gevoel als je ineens alles kwijt bent. Dan besef je pas hoeveel informatie er instaat. Maar ik had nog hoop dat iemand hem had afgegeven bij de Rangers post. We gingen daar naar binnen en het verhaal lag al op mijn lippen om uit te leggen wat er gebeurd was en toen zag ik ineens mijn telefoon daar liggen. Oeff, wat een opluchting. Beter oppassen dus! We hadden veel dieren gezien tijdens de wandeling. Maar de leukste was toch wel de Wombat met een kleintje.

Langzamerhand werd het tijd voor de boot terug. De lucht werd donkerder en het begon stevig te waaien. En eindelijk daar kwam de regen. Best een hele flinke bui, die nog steeds voortduurt. We kwamen weer terug op de camping van Orford en wat doe je dan. Zo’n auto is heel klein en ongezellig.

Maar…. we hadden gezien dat bij de golfclub naast de camping, er op vrijdagavond een maaltijd wordt geserveerd. Waarschijnlijk voor de leden, maar wie weet konden we mee eten. Ik ging naar de bar om dat te vragen en dat was geen enkel probleem. We zitten nu dus gezellig in de golfclub, lekker warm en het eten wordt straks opgediend. Wat wil je nog meer!

Tasmanië hier zijn we dan

Woensdag 8 januari 2020

Hier zijn we dan. Van zeilers omgeturnd tot kampeerders! Na 3 rustige dagen in Pittwater, waarin we de boot 2 keer hebben schoongemaakt, omdat er as op lag, zijn we naar Tasmanië gevlogen. Tijdens de was doen in de Yachtclub, hadden we uitgezocht waar we precies naar toe wilden.

Pittwater is een rustig vaargebied, een beetje te vergelijken met Loosdrecht. Niet heel erg inspirerend, maar wel een fijne plek om je boot achter te laten. Zaterdag hadden we een echte warme dag, waarop we eindelijk weer het water zijn ingegaan.

Nadat we een lekker stuk gewandeld hadden, ging Jakob het onderwaterschip te lijf en ik ging gewoon een rondje zwemmen. Gelukkig zag ik geen kwallen, die houden vast niet van de zon. Zondag waren ze er weer, want het was bewolkt en een stuk kouder.

Omdat alle etenswaar op moest, bakte ik een appeltaart en die smaakte voortreffelijk. We kregen onze buurman van 91 op bezoek en die lustte ook wel een stukje. We hadden hem nog niet eerder gezien, want hij was op bezoek bij zijn dochter in Hongkong. Hij woont sinds zijn pensioen op zijn boot en heeft het heerlijk, zei hij. Wij hebben dus nog een jaar of 20 voor de boeg volgens hem :-)!

En nu zijn we in Tassie, zoals ze hier zeggen. Na een vlucht van een kleine 2 uur kwamen we rond 8 uur aan in Hobart en gingen met een taxi naar ons B&B in Sorell, niet zo ver van het vliegveld vandaan. En wat was dat een leuk plekje. Echt een B&B zoals ze er in de begintijd uitzagen. Lekker Engels met veel frutsels en een heerlijk bed.

 

Vanmorgen haalden we de campervan op. Het is een Kia…. en hij was niet echt heel schoon en heeft nogal wat lakschade. Er zitten ook al heel wat kms op de teller, dus ik ben benieuwd hoe hij zich houdt.

Ons eerste doel was om naar MONA te gaan, een heel bijzonder museum een stukje buiten Hobart op een mooie plek. Er is oude en nieuwe kunst, maar die is wel heel bijzonder. Het grootste deel zit onder de grond en je weet niet wat je daar ziet! Kijk maar eens op internet. Geweldig, nog nooit zoiets gezien!

 

 

We reden verder naar Hobart en parkeerden in het centrum. Het Waterfront is heel leuk en natuurlijk gingen we vis eten. Daarna bezochten we de fontein van Abel Tasman. We werden aangetrokken door de Nederlandse vlag die daar naast de Australische vlag wappert. Het bleek dat koningin Beatrix in 1988 de fontein heeft onthuld. Leuk toch?

We wilden nog 2 plekken zien, namelijk de Salamanca Market en Battery Point. Leuke buurten met prachtige historische huizen.

 

 

En toen werd het tijd om een camping te zoeken voor onze eerste overnachting. We deden eerst wat boodschappen en gingen daarna ons kamp opslaan in Cambridge, een heel klein dorpje ergens onderweg, niet zo ver van Hobart vandaan.

De auto werd in een vak geschoven en de luifel werd aan de zijkant opgezet. We vonden 2 stoeltjes en een tafel achterin en het leek al echt wat te worden. We ontdekten de kampeerkeuken achterin en borgen de tassen op in de bak op het dak. Omdat we uitgebreid geluncht hadden aten we nu een stokbroodje met Franse kaas. Dat koken op zo’n pitje hebben we nog even uitgesteld.

En toen moest er een bed gemaakt worden in de auto. Dat ging eigenlijk wel makkelijk en het resultaat zag er gezellig uit. Nu maar kijken hoe dat slaapt…

Het meest zien we nog op tegen het toiletbezoek in de nacht. Dan moet je je weer zittend aankleden en door de kou naar het toiletgebouw lopen. Wat doet een mens zichzelf toch aan…… :-).